Sociaal-cultureel volwassenenwerk Amateurkunsten Lokaal Cultuurbeleid Participatiebeleid Circus in Vlaanderen Vlaamse Gebarentaal Internationaal Tewerkstelling Beleidsdocumenten Begroting
Onderzoek
Medailles en Nationale Orden Publicaties

Historiek cultuurbeleid

Op 13 juli 2001 werd het decreet Lokaal Cultuurbeleid bekrachtigd door de Vlaamse Regering. Vanaf januari 2002 regelde dit decreet de planning van het cultuurbeleid in de Vlaamse steden en gemeenten. Culturele actoren zoals de bibliotheek en het cultuurcentrum waren vanaf dan verenigd in één decreet en zorgden samen met een nieuwe actor, de cultuurbeleidscoördinator, voor een kwaliteitsvol en integraal cultuurbeleid.

Planmatige aanpak (periode 2002-2007)

Nieuw in het decreet lokaal cultuurbeleid was de inzet op een beleidsplan. Zowel de bibliotheek (een verplichte actor voor elke gemeente), het cultuurcentrum (facultatieve actor) als de cultuurbeleidscoördinator moesten een beleidsplan schrijven met daarin aandacht voor de geplande realisaties tijdens de beleidsperiode. De beleidsperiode voor de eerste reeks plannen liep van 2003 tot en met 2007. Deze verschoven periode (de start lag één jaar later dan de start van de gemeentelijke zesjaarlijkse legislatuur) was zeer bewust gekozen: zo kon elk nieuw bestuur eerst een jaar plannen en vervolgens de uitvoering ervan gedurende zes jaren garanderen. De aansturing van het lokale cultuurbeleid op planmatige basis, ondersteund door een lokale ambtenaar (in de beginperiode: de cultuurbeleidscoördinator) noemden we het gemeentelijk cultuurbeleid. Dit is dus een volwaardige actor geworden naast de historische actoren als de bibliotheek en het cultuurcentrum.

Verdere integratie van de planmatige aanpak (periode 2008-2013)

Voor de tweede planningsperiode was er een belangrijke vernieuwing: om de verschillende aanwezige actoren in de gemeente nog meer te doen samenwerken, moest er voortaan een gemeenschappelijk cultuurbeleidsplan worden opgemaakt met aandacht voor de aanwezige culturele actoren.

Een nieuw lokaal cultuurbeleid vanaf 2014: nog meer integratie

Het Planlastendecreet luidde een nieuwe periode in voor het decreet Lokaal Cultuurbeleid. Klassieke subsidievoorwaarden worden grondig herzien. Gemeenten die subsidie willen krijgen voor een gemeentelijk cultuurbeleid, een bibliotheek of een cultuurcentrum moeten intekenen op Vlaamse beleidsprioriteiten die samenhangen met deze actoren.

Integratie sectorale middelen in Gemeentefonds

Sinds 1 januari 2016 ontvangen de lokale besturen geen subsidies meer voor het voeren van een lokaal cultuurbeleid. Deze sectorale middelen zijn geïntegreerd in het Gemeentefonds en niet langer geoormerkt.

Ook de voorwaarden voor het verkrijgen van die middelen en de daaraan gekoppelde rapporteringsplicht zijn weggevallen. In de plaats daarvan genieten de lokale besturen van een verruimde basisfinanciering via het Gemeentefonds. De verantwoordelijkheid voor het voeren van een lokaal cultuurbeleid ligt voortaan volledig bij de gemeentebesturen. Waar de Vlaamse overheid tot nu toe een aansturende en controlerende rol had, zal zij in de toekomst meer ondersteunend en stimulerend optreden

Voor de gemeenten in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en voor de faciliteitengemeenten in de Vlaamse Rand blijft de huidige regeling van kracht. Ook de bepalingen voor organisaties met een specifieke opdracht (zoals VVC, Cultuurconnect, VVBAD ...) blijven ongewijzigd, evenals de intergemeentelijke samenwerking voor afstemming van het cultuuraanbod en de communicatie.

Terugblikken in een verder verleden...

De bibliotheek in de periode voor het lokaal cultuurbeleid

Tot 1978 regelde de wet van 17 oktober 1921 de "openbare lectuurvoorziening" in België. Deze wet, bekend als de wet Destrée, leidde tot de oprichting van honderden kleine bibliotheken, meestal met een privaatrechtelijk statuut, en bijna altijd met een duidelijke ideologische of filosofische inslag. De slagkracht was veelal klein door de zeer beperkte financiële ondersteuning van de verschillende overheden; dit ondanks de grote inzet van vele vrijwilligers.

De ontwikkeling van het openbare bibliotheekwerk verliep dan ook zeer traag en ongestructureerd. Een keerpunt betekende de grondwetsherziening van 1970 die de culturele materies tot een bevoegdheid van de gemeenschappen maakte.

Voor de openbare bibliotheken resulteerde dit in het decreet van 19 juni 1978 betreffende het Nederlandstalige openbare bibliotheekwerk, een decreet dat voor een omwenteling in het bibliotheeklandschap zorgde.

Het decreet verplichtte elke Vlaamse gemeente een openbare bibliotheek op te richten en in stand te houden, op basis van strenge erkenningsvoorwaarden en met een beheersorgaan dat was samengesteld conform de Cultuurpactwet van 1973. De bibliotheek werd een openbare dienst, waardoor ook de ideologische verzuiling verdween. De financiële inspanningen voor de gemeenten waren zeer aanzienlijk, maar de Vlaamse Gemeenschap en - in mindere mate - de provincies verleenden een ruime financiële ondersteuning.

Anno 2000 beschikte vrijwel elke Vlaamse gemeente over een eigen bibliotheekvoorziening, dikwijls nog met bijkomende filialen en uitleenposten, meestal gehuisvest in een moderne en aangepaste infrastructuur met ruime openingsuren. Het decreet zorgde ook voor een doorgedreven professionalisering, zowel naar statuut als inhoudelijk (specifieke bekwaamheidsbewijzen). De ruime collecties, met groeiende aandacht voor niet-gedrukte materialen, en het gebruik van moderne technologieën zorgden voor een sterke toename van het aantal leners en het aantal ontleningen.

De voortschrijdende technologische ontwikkelingen en de noodzaak om adequaat met informatie te kunnen omgaan plaatsten de bibliotheken in het begin van de 21ste eeuw voor ingrijpende veranderingen, niet in het minst inzake de dienstverlening naar de gebruiker. De bibliotheek werd (en wordt nog steeds) geconfronteerd met moeilijk te beantwoorden vragen, bijvoorbeeld: Wat moet nog fysiek aanwezig blijven in de bibliotheek? Wat kan digitaal via netwerken beschikbaar worden gesteld? In hoeverre kan de bibliotheek inspelen op een groeiende vraag van gebruikers om informatie van thuis of kantoor te kunnen oproepen?

Het decreet lokaal cultuurbeleid van 13 juli 2001 heeft hierop een antwoord gegeven door voor de openbare bibliotheeksector de nadruk te leggen op onder meer kennis, informatiebemiddeling, cultuurspreiding, cultuurparticipatie, cultuureducatie, leesbevordering en het bevorderen van ontmoeting.

De cultuurcentra in de periode voor het lokaal cultuurbeleid

De start van de cultuurcentra

De culturele centra vinden hun oorsprong in '60. Het in 1962 opgerichte ministerie van de Nederlandse Cultuur maakte een studie over de culturele infrastructuur in Vlaanderen. Hiermee werd de grondslag gelegd voor een nieuw netwerk van culturele ontmoetingscentra die los van de klassiek verzuilde maatschappij zouden functioneren.

Vanaf het midden van de jaren zestig stimuleerde een subsidie van de overheid de bouw van culturele centra (KB van 13 mei 1965, aangevuld en vervangen door het KB van 22 februari 1974). Een financiële ondersteuning van 60% op de kosten voor de ruwbouw van een cultureel centrum overtuigde heel wat gemeenten om een cultureel centrum te bouwen.

Met dit beleid voor de culturele centra streefde de Vlaamse overheid twee belangrijke doelstellingen na: vlotte toegang voor elke Vlaming tot de kunsten en voldoende infrastructuur voor het alom verspreide Vlaamse verenigingsleven. Overal in Vlaanderen ontstonden de eerste culturele centra, van een evenredige en planmatige spreiding was nog geen sprake.

Inzetten op professionalisering

In de jaren zeventig werden de culturele centra meer en meer zichtbaar en met het decreet van 16 juli 1973 zette de Vlaamse overheid in op verdere professionalisering van de sector. Dit decreet van 1973 voorzag in weddentoelagen voor de cultuurfunctionarissen in de culturele centra. De culturele centra konden een erkenning verkrijgen op basis van in het decreet bepaalde voorwaarden. Het landschap van de cultuurcentra werd ingedeeld in vier categorieën: A, B, C of D. Voor het beheer van het cultureel centrum zorgde een beheersorgaan dat bestond uit politieke vertegenwoordigers (50%) en afgevaardigden uit het lokale sociaal-culturele veld (50%). De initiatiefnemer tot de oprichting van een cultureel centrum mocht dan wel de gemeente zijn, voor het uiteindelijke beheer waren er meerdere mogelijkheden: gemeentelijk beheer (met het personeel van de gemeente) of een privaatrechtelijk beheer (personeel in dienst van de vzw). Een eigen uitgebreid kwalitatief aanbod van kunst en cultuur in de culturele centra werd een feit.

Een werksoort in evolutie

Het decreet van 24 juli 1991 bracht enkele belangrijke verschuivingen in het landschap aan. Na de fusiegolf kon per gemeente één cultureel centrum erkend worden. In de deelgemeenten kon men wel nog wijkhuizen (filialen van het cultureel centrum) in stand houden. Ook Provincies en de Vlaamse Gemeenschapscommissie in Brussel konden initiatiefnemer zijn. De indeling in categorieën werd complexer en spoorde samen met de omvang van de infrastructuur en het inwonertal van de gemeente: categorieën plus II, plus I, basiscategorie en wijkhuis. Op vlak van beheer blijft zowel het privaatrechtelijke (vzw) of het gemeentelijk beheer mogelijk. Echter, om een vlotte financiële afhandeling van tal van aspecten in de werking van de culturele centra mogelijk te maken (uitbetalen artiesten, aankoop van kleine materialen...) hebben vele gemeenten het gemeentelijk beheer van hun cultureel centrum aangevuld met een programmeringsvzw: een vzw die binnen de contouren van de gemeente instaat voor vlotte financiële afhandeling van de dagelijkse werking van het cultureel centrum.

Het decreet van 1991 bleef inzetten op professionalisering van de sector: naargelang de categorie en de aanwezige infrastructuur (o.a. aantal wijkhuizen) maakte de gemeente aanspraak op een enveloppensubsidie voor het personeel. Eventuele meerkosten werden gedragen door de gemeente zelf. In 1992 was er een invoering van minimale barema's voor het gesubsidieerde personeel in de Vlaamse culturele centra. Het diploma en de functie waren hiervoor bepalende elementen. Het systeem van barema's werd in 1996 geschrapt, de diplomavereisten bleven.

Verankering in een lokaal cultuurbeleid

De enorme groei van de culturele centra (103 erkende centra in 1998) had ook een keerzijde: er dreigde een overaanbod in sommige regio's en een debat over de positionering van de centra drong zich op. Een erkenningsstop in 1996 en een stop op gesubsidieerde personeelsuitbreiding luidde een herbronningsperiode in. Zowel de regelgeving als de sterk kwantitatieve benadering van de werksoort "cultureel centrum" zouden onder de loep worden genomen.

Onderhandelingen en nieuwe budgettaire ruimte op de Vlaamse begroting leidden tot het decreet lokaal cultuurbeleid van 13 juli 2001. Culturele centra werden "cultuurcentra" en zouden voortaan één van de actoren worden binnen een kwalitatief lokaal verankerd integraal cultuurbeleid. Andere actoren waren: de bibliotheek en de cultuurbeleidscoördinator. Samenwerking en afstemming tussen die verschillende actoren werd zeer belangrijk.

Belangrijk binnen het lokaal cultuurbeleid was de planmatige verdeling van de cultuurcentra over Vlaanderen: op basis van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) werd een lijst van gemeenten opgesteld die in aanmerking kwamen voor het inrichten van een cultuurcentrum.

Een beperkt aantal gemeenten en steden, gebaseerd op de hiërarchische lijst van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV), kon nog een subsidie krijgen voor het cultuurcentrum. Het beleid ging hierbij uit van de stad als bron van cultuur en het koppelen van cultuur aan de regionale en economische functie van een gemeente.