Subsidies
Lokaal jeugdbeleid Landelijk georganiseerde jeugdverenigingen Cultuureducatieve verenigingen Verenigingen informatie en participatie Politieke jongerenbewegingen Experimentele projecten Projectoproepen Jeugdhuizen Internationale projecten Jeugdverblijfcentra Brede school Organisaties kansengroepen Grootschalige jeugdevenementen Verenigingen met bijzondere opdracht Tewerkstelling
Kadervorming en attesten Vlaams jeugd- en kinderrechtenbeleid Kinderrechten Internationale samenwerking Uitleendienst Kampeermateriaal Begroting Onderzoek Beleidsdocumenten Fiscale aftrek kinderopvang Publicaties Parlementaire vragen en initiatieven

Subsidievoorwaarden en criteria



BruggenbouwersWat zijn bruggenbouwers? Wat is het doel van de projecten?

Hoofddoel is het realiseren van jeugdwerk voor kinderen en jongeren in kwetsbare situaties. De projecten moeten een brug slaan tussen bestaande jeugdwerkingen in de vrije tijd en/of andere organisaties die kinderen en jongeren in hun brede diversiteit bereiken. Voorbeelden zijn kinderen, jongeren en gezinnen in armoede, met een migratieachtergrond, met een handicap, in instellingen, enzovoort.

Bruggenbouwers leggen contacten met jongeren en/of gezinnen, aanbieders van vrije tijd en andere partnerorganisaties: ze informeren en sensibiliseren in beide richtingen, zorgen ervoor dat ze rechtstreeks aanspreekbaar blijven, starten individuele trajecten op, brengen drempels in kaart, detecteren lacunes… Anderzijds zorgen zij voor verbinding van jongeren en/of gezinnen, doordat ze naar het bestaande aanbod leiden, een bestaand aanbod naar de jongeren brengen, nieuw aanbod creëren samen met (rondhangende) jongeren, ontmoeting opzetten tussen (rondhangende) jongeren en andere jongeren, buurtbewoners, instanties.

Wie kan een project indienen?

De projectoproep is gericht naar verenigingen die lokaal actief zijn in de vrije tijd van kinderen en jongeren, maar die desgevallend ook bruggen (willen) slaan naar andere beleidsdomeinen.

Alleen verenigingen zonder winstoogmerk die voldoen aan de algemene subsidiëringsvoorwaarden uit het decreet van 20 januari 2012 houdende een vernieuwd jeugd- en kinderrechtenbeleid (art. 17, §1 ), en die erkend zijn door een overheid, kunnen een subsidieaanvraag indienen. Het projectvoorstel wordt ingediend door één vereniging of door de trekker van een samenwerkingsverband of netwerk van organisaties.

Aan welke criteria worden de subsidieaanvraag en het projectvoorstel getoetst?

1. Ontvankelijkheidscriteria

De subidieaanvragen worden in eerste instantie gescreend op ontvankelijkheid:

1.1 Voldoet de indiener aan de voorwaarden in het decreet (art. 17 §1)?

  • Indiener is vzw
  • Indiener is erkend door een overheid
  • Zetel in het Nederlandse taalgebied of het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.

1.2 Werd voldaan aan de formele voorwaarden?

  • Tijdig ingediend
  • Digitaal aanvraagformulier gebruikt.


2. Beoordelingscriteria

Voor de selectie van de projecten die voor subsidiëring worden voorgesteld, worden in volgorde van gewicht onderstaande criteria gehanteerd.

2.1 Een brug slaan tussen een organisatie met een link naar kwetsbare kinderen en jongeren en een jeugdwerkinitiatief

De oproep richt zich tot organisaties die werken met kinderen en jongeren tot maximaal 30 jaar, met bijzondere aandacht voor kinderen en jongeren met een migratieachtergrond, kinderen en jongeren in armoede, in instellingen en/of kinderen en jongeren met een handicap. We richten ons in eerste instantie tot organisaties die rechtstreeks met de doelgroep werken. Maximaal één derde van de projectmiddelen kan gaan naar overkoepelende initiatieven.

Hierbij wordt uitgegaan van hun noden en wat voor hen bruikbaar is. Het project voorziet een aanbod van jeugdwerk, door samenwerking met minstens één bestaande jeugdwerkorganisatie. Wat betekent dat een van de partners moet beantwoorden aan de definitie van jeugdwerk in het decreet van 20 januari 2012 houdende een vernieuwd jeugd- en kinderrechtenbeleid (art. 2, 8° ). Een ruimer en meer verscheiden vrijetijdsaanbod is uiteraard een meerwaarde.

Het project neemt initiatieven om het aanbod bekend te maken, actief kinderen en jongeren toe te leiden en hen duurzaam te bereiken. Samenwerking met andere initiatieven en organisaties in het lokaal netwerk kan hierin een belangrijke rol spelen. In elk geval wordt samengewerkt met minstens één organisatie die de doelgroep van kinderen in kwetsbare situaties al bereikt (armoedevereniging, werking voor maatschappelijk kwetsbare kinderen en jongeren, school, OCMW met duidelijk bereik van deze groep, Huizen van het Kind, Rap op stap, jeugdwelzijnswerk…).

De vereniging toont aan dat ze kennis heeft van de jeugdsector en van samenleven in diversiteit. Indien ze hier niet zelf over beschikt, betrekt ze experten bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie.

In de projectaanvraag moet aangegeven worden hoe de bruggenbouwers outreachend aan de slag zullen gaan. Hoe zoeken ze de beoogde doelgroep op via verschillende intermediairen actief in hun omgeving (contacten leggen), hoe zullen ze contacten onderhouden, hoe werken ze vraaggestuurd en krijgen ze zicht op hun situatie, zodat ze er rekening mee kunnen houden bij het zoeken naar een activiteit.

Competenties van (professionele en vrijwillige) medewerkers zijn belangrijk om kinderen en jongeren in kwetsbare situaties te kunnen bereiken met jeugdwerk. Hoe vinden ze aansluiting bij de leefwereld van kinderen en jongeren in kwetsbare situaties? Hoe gaan ze om met hun noden, die vaak verder gaan dan louter de activiteit op zich? Het project zorgt ervoor dat competenties om met deze doelgroep te werken versterkt worden bij de betrokken organisatie(s), door vorming, coaching, samenwerking, …

2.2 De planmatige en doelgerichte aanpak van het project en de geboden garanties voor een kwaliteitsvolle uitvoering van het project

Voor de beoordeling van dit criterium zal de volgende checklist worden gehanteerd:

De mate waarin de maatschappelijke nood werd aangetoond. Er wordt nagegaan of het project een antwoord biedt op een reële nood. Indien het gaat om een lokale werking moet worden aangetoond dat er lokaal een nood is vastgesteld door de organisatie of samenwerkende partners, om hierrond te werken.

Degelijke uitwerking van het project: op basis van voldoende informatie kan een goed inhoudelijk advies gegeven worden. Beschrijf hierbij ook de beginsituatie van het project.

Het project heeft een duidelijk vastgesteld doel. Daarbij is het belangrijk te bepalen wanneer u wat wilt bereiken. U stelt daarvoor tussendoelen vast en u handelt daarnaar in de verschillende fasen van het project.

Het project is van bepaalde duur en heeft een begin- en einddatum.
Het project is realiseerbaar binnen de beschikbare tijd (maximaal 18 maanden). Het project heeft een realistische timing en is praktisch uitvoerbaar.

Er wordt nagegaan of de gevraagde middelen in verhouding zijn met de beoogde resultaten. De link tussen de gevraagde middelen en de inhoud van het project moet aantoonbaar zijn. Geef duidelijk aan wat de precieze kosten zijn voor de uitvoering van het project.
De projectoproep laat veel ruimte aan de lokale partners om in te zetten op de lokale situatie en doelstellingen op maat te formuleren. De subsidie van maximum 50.000 euro kan ingezet worden naargelang van die beoogde doelstellingen en al bestaande (financiële en personele) mogelijkheden. Uiteraard wordt beoordeeld of de begroting realistisch is in dit kader en of er indien nodig in cofinanciering (bv. ook de inzet van eigen personeel of werkingsbudget) voorzien wordt.

2.3 Innovatief en creatief

Een innovatieve en creatieve aanpak van het project kan tot grotere resultaten leiden. Dit kan gerealiseerd worden op (een combinatie van) verschillende aspecten van de oproep, zoals methodieken inzake toeleiding, bijzondere doelgroepen, samenwerking met lokale partners, duurzame financiering, verderzetting na afloop van de projectperiode,… Het project moet voorzien in iets wat er in de eigen context nog niet is.

Het project moet een meerwaarde bieden voor de reguliere werking. De projectsubsidie mag niet worden aangewend voor een loutere uitbreiding van de reguliere werking van de organisatie. Als de vereniging al subsidies van een overheid (lokaal, provinciaal, Vlaams, Europees) krijgt voor haar werking of deelaspecten ervan, moet dit duidelijk zichtbaar zijn - zowel in het inhoudelijke voorstel als in de begroting - waar dit project zich onderscheidt van de reguliere werking of andere projecten waarvoor de vereniging subsidies ontvangt.

2.4 De mate waarin samengewerkt wordt met lokale besturen en andere partners op het terrein

In vele gevallen is het essentieel voor het welslagen van het project dat er wordt samengewerkt met andere organisaties en sectoren (bijvoorbeeld om voldoende kennis te vergaren of om het bereikte publiek te diversifiëren).

Heel wat organisaties zijn lokaal actief met het oog op een grotere solidariteit in onze superdiverse samenleving. Een integraal beleid vraagt samenwerking en afstemming tussen deze initiatieven, zodat een lokaal netwerk ontstaat waarbinnen een integrale ondersteuning van kinderen en jongeren gerealiseerd kan worden. Een toegankelijk vrijetijdsaanbod is één element binnen dit netwerk.

De indieners moeten in de projectaanvraag aantonen dat ze voorafgaandelijk overleg hebben gehad met het bestuur van de gemeente waar men het project zal uitvoeren.
Ook bovengemeentelijke samenwerking is mogelijk
. In dat geval moet worden aangetoond dat minstens één van de gemeenten zijn medewerking heeft toegezegd.

Gezien de specifieke Brusselse realiteit wordt voor Brusselse projecten de betrokkenheid van een Brussels lokaal bestuur of van de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC) in aanmerking genomen.

2.5 Stuurgroep en participatie van de doelgroep in ontwikkeling, uitvoering en evaluatie

Het project wordt best begeleid door een stuurgroep. Er dient vermeld wie ervan deel zal uitmaken.

Om een aanbod en werkwijze te realiseren die echte impact heeft, is het cruciaal te vertrekken vanuit de concrete ervaringen en noden van de doelgroep. Zij kunnen best aangeven wat voor hen het verschil maakt tussen wel of niet ingaan op een aanbod, tussen wel of niet de stap zetten naar verdere ondersteuning. De participatie van de kinderen, jongeren en ouders in kwetsbare situaties verdient dus bijzondere aandacht. Deze kan op verschillende manieren gerealiseerd worden, binnen de lokale context. Deze participatieve aanpak is belangrijk in de hele projectplanning van bij de ontwikkeling (uitschrijven van de projectaanvraag), over de uitvoering tot de evaluatie van een project. In het projectvoorstel moet de vereniging de plaats van jongeren in de voorbereiding, uitvoering, opvolging en evaluatie van het project verduidelijken.

2.6 Duurzaam en overdraagbaar: verderzetting na de projectperiode

De projectmiddelen zijn eenmalig en maximaal verspreid over 18 maanden. Daarom dienen de initiatiefnemers aan te tonen op welke manier en onder welke voorwaarden het project zou kunnen worden verder gezet, ook na het stopzetten van de projectmiddelen. Producten (eventueel ontwikkelde methodieken of materialen) moeten ontsloten worden en ter beschikking worden gesteld van derden. De vereniging moet ook bereid zijn om zijn expertise te delen op bijvoorbeeld studiedagen. Daarom ook het belang van een begeleidende stuurgroep.

Er worden initiatieven beoogd waarvan de resultaten na de projectperiode duurzaam verankerd kunnen worden. Hoe dit gebeurt, hangt af van de projectinhoud: verderzetting met andere middelen, inbedding in (aangepast) regulier beleid of aanbod, omkaderende maatregelen… Hiervoor kan samenwerking met andere organisaties, het lokale bestuur en andere financiers onderzocht worden. Dit moet doorheen de projectperiode voldoende aandacht krijgen zodat het niet bij intenties blijft.

Procedure

Het projectvoorstel wordt ten laatste op 1 maart 2017 via e-mail ingediend (gerda.vanroelen@cjsm.vlaanderen.be) aan de hand van het aanvraagformulier dat de administratie ter beschikking stelt. De datum van het e-mailbericht geldt als indiendatum.

De voorstellen worden beoordeeld door een jury bestaande uit ambtenaren en een externe deskundige die door de minister van Jeugd wordt aangeduid.

Uiterlijk op 30 april 2017 neemt de minister van Jeugd een beslissing op basis van het advies van de jury.

De administratie brengt de aanvrager met een brief op de hoogte van de beslissing van de minister en (eventueel) van de toegekende subsidie.

Het project kan starten tussen 1 juni en 1 november 2017 en moet uiterlijk op 30 november 2018 afgerond worden.

Budget

Er wordt een budget voorzien van 500 000 euro. Het maximaal toe te kennen bedrag is 50 000 euro per project.

Bij een positieve beslissing van de minister van Jeugd wordt het subsidiebedrag als volgt ter beschikking gesteld:

  • een voorschot van 80 procent van de subsidie wordt uitbetaald na de ondertekening van het subsidiebesluit.
  • het saldo van maximaal 20 procent wordt uitbetaald nadat de administratie heeft vastgesteld dat de voorwaarden waaronder de subsidie werd toegekend, nageleefd werden en dat de subsidie werd aangewend voor de doeleinden waarvoor ze werd verleend. Dat moet blijken uit het inhoudelijk en financieel verslag, dat uiterlijk op 1 december 2018 aan de administratie wordt bezorgd.

Let op: alleen kosten die gemaakt zijn na de toekenning van de subsidie en voor het einde van het project komen in aanmerking. Als de netto kosten (dat zijn de aangetoonde kosten verminderd met de inkomsten die voortvloeien uit de realisatie van het project) minder bedragen dan de ontvangen subsidie, dan wordt het verschil teruggevorderd.

Opvolging en evaluatie

De geselecteerde projecten zullen worden opgevolgd en geëvalueerd. De praktijken zullen i.s.m. het Beleidsnetwerk Diversiteit worden gebundeld en ontsloten voor andere organisaties. De geselecteerde projecten moeten hieraan meewerken.