Subsidies
Lokaal jeugdbeleid Landelijk georganiseerde jeugdverenigingen Cultuureducatieve verenigingen Verenigingen informatie en participatie Politieke jongerenbewegingen Experimentele projecten Projectoproepen Jeugdhuizen Internationale projecten Jeugdverblijfcentra Brede school Organisaties kansengroepen Grootschalige jeugdevenementen Verenigingen met bijzondere opdracht Tewerkstelling
Kadervorming en attesten Vlaams jeugd- en kinderrechtenbeleid Kinderrechten Internationale samenwerking Uitleendienst Kampeermateriaal Begroting Onderzoek Beleidsdocumenten Fiscale aftrek kinderopvang Publicaties Parlementaire vragen en initiatieven

Historiek



 

Situatie vóór 1975

Al in de tweede helft van de negentiende eeuw treffen we in Vlaanderen de eerste sporen van georganiseerd jeugdwerk aan, met name bij de patronaten. Na de Tweede Wereldoorlog en vooral in de jaren vijftig van de twintigste eeuw nam het aantal jeugd- en jongerenbewegingen sterk toe. Vanaf de jaren zestig kwam er meer differentiatie binnen het jeugdwerk.

Net na de Tweede Wereldoorlog was er een eerste vorm van subsidiëring van het landelijk georganiseerd jeugdwerk, waarbij de organisatie van de kadervorming centraal staat.

Situatie vanaf 1975

Het eerste decreet dat de erkenning en subsidiëring van het landelijk jeugdwerk regelt, kwam er in 1975: het decreet van 22 januari 1975 tot regeling van de erkenning en subsidiëring van het landelijk georganiseerd jeugdwerk. Dit decreet maakte deel uit van een reeks decretale initiatieven die uiting gaven aan de pas verworven Vlaamse culturele autonomie en gaf invulling aan het daarmee verbonden Cultuurpact. Mede daaraan was het te danken dat dit decreet zonder noemenswaardige wijzigingen meer dan twintig jaar kon bestaan.

Eenmaal erkend ontvingen de verenigingen een subsidie op basis van reële uitgavenposten en een goed te keuren begroting. De kosten die voor de organisatie van de kadervorming gemaakt werden, kregen daarbij een bijzondere behandeling. Het decreet voorzag verschillende erkenningscriteria voor jeugdbewegingen, jongerenbewegingen, studentenbewegingen, gespecialiseerde jeugdgroeperingen, jeugddiensten en coördinatieorganismen.

Situatie van 1998 tot 2002

Na twintig jaar jaar drong een evaluatie en een bijsturing van het decreet zich op, naar aanleiding van een aantal maatschappelijke wijzigingen met betrekking tot de jeugd en het jeugdwerk. Zo was er naast de jeugd- en jongerenbewegingen een onoverzichtelijk veelvoud aan jeugddiensten ontstaan en was er een sterke beperking van de subsidiebudgetten. Daardoor moest er met een uitvoeringscoëfficiënt gewerkt worden.

In het decreet van 12 mei 1998 houdende de erkenning van het landelijk georganiseerd jeugdwerk werden de verenigingen naargelang van de kerntaak in vier categorieën ingedeeld:

  • begeleiden van lokale of regionale jeugdwerkinitiatieven
  • rechtstreekse werking met kinderen en jongeren
  • dienstverlening aan jeugd- en jeugdverenigingen
  • coördineren van de werking van erkende landelijke jeugdverenigingen (koepels).

Daarmee werd de indeling volgens jeugdwerksoort opgeheven. De subsidiëringtechniek op basis van begroting en reële uitgaven werd behouden.

De toepassing van dit decreet dreigde evenwel te resulteren in een verschraling van het aanbod. Een groot aantal verenigingen slaagde er niet in om aan de erkenningsvoorwaarden te voldoen. Daaraan werd verholpen door het decreet van 29 maart 2002 op het Vlaamse jeugdbeleid, dat bovendien ook een antwoord bood op de vergevorderde ontzuiling van de samenleving. Bovendien introduceerde het decreet een moderne subsidiëringstechniek: outputfinanciering, door middel van subsidie-enveloppes.

In dit decreet werden naast de regels voor het landelijk georganiseerd jeugdwerk ook de nieuwe regels vastgelegd voor de subsidiëring van het experimenteel jeugdwerk, de jeugdinformatie-, communicatie- en inspraakprojecten, de internationale projecten, Jint, het Steunpunt Jeugd, de Jeugdraad voor de Vlaamse Gemeenschap en de jeugdculturele initiatieven.

Wie als landelijk georganiseerde jeugdvereniging erkend wilde worden, moest minstens zes modules per jaar te realiseren. Die modules waren

  • begeleiding van lokale jeugdverenigingen
  • activiteitenaanbod voor de jeugd
  • begeleiding of vorming van jeugdwerkers
  • productontwikkeling.

Eenmaal erkend, ontvingen de verenigingen een basissubsidie. Om aanspraak te kunnen maken op een bijkomend variabel bedrag, moesten ze om de drie jaar een beleidsnota indienen. De terugvalpositie van het variabele deel van de subsidies lag op 80% van het bedrag van de vorige beleidsperiode.

Jeugdbeleidsplan 2006-2009 leidt tot nieuw decreet in 2008

In het tweede Vlaams jeugdbeleidsplan 2006-2009 werd de wijziging van het decreet van 29 maart 2002 op het Vlaamse jeugdbeleid aangekondigd. Twee decreten moesten worden samengevoegd:

  • het decreet van 29 maart 2002 op het Vlaamse jeugdbeleid, zoals gewijzigd bij decreet van 8 juli 2005
  • het decreet van 15 juli 1997 houdende de instelling van het kindeffectrapport en de toetsing van het regeringsbeleid aan de naleving van de rechten van het kind.

Op 18 juli 2008 werd het decreet houdende het voeren van een Vlaams jeugd- en kinderrechtenbeleid bekrachtigd. Aan de regelgeving voor het landelijk georganiseerde jeugdwerk werd niet veel gewijzigd.

Vanaf 2013: decreet houdende een vernieuwd jeugd- en kinderrechtenbeleid

In de loop van 2010 zette de afdeling Jeugd een intensieve consultatie op naar aanleiding van een aantal knelpunten in het decreet van 2002. Die werden al in 2007 gesignaleerd, maar vergden een grondig onderzoek en een decreetswijziging. Eén daarvan was de beoordeling van de subsidiëring op basis van objectieve parameters en de gewaarborgde terugvalpositie voor de landelijk georganiseerde jeugdverenigingen. Voor de verenigingen participatie en informatie en voor de cultuureducatieve verenigingen bestonden geen objectieve parameters. Zij konden evenmin rekenen op een gewaarborgde terugvalpositie.

Dit alles werd geremedieerd in het decreet van 20 januari 2012 houdende een vernieuwd jeugd- en kinderrechtenbeleid, dat in werking trad op 1 januari 2013. Voor de landelijk georganiseerde jeugdverenigingen zijn belangrijkste wijzigingen:

  • naast erkenning een systeem van subsidiëring, als eenmalige opstapmogelijkheid naar een volwaardige erkenning, met een jaarlijkse vaste basissubsidie bij de realisatie van minstens drie modules en de mogelijkheid tot het indienen van een beleidsnota om een bijkomende variabele subsidie te ontvangen
  • een gewijzigde module 'begeleiden van lokale initiatieven'
  • het wegvallen van de module 'productontwikkeling'
  • de vereiste van één begeleider per vijftien deelnemers
  • een beleidsnota voor vier i.p.v. drie jaar.