Subsidies
Lokaal jeugdbeleid Landelijk georganiseerde jeugdverenigingen Cultuureducatieve verenigingen Verenigingen informatie en participatie Politieke jongerenbewegingen Experimentele projecten Projectoproepen Jeugdhuizen Internationale projecten Jeugdverblijfcentra Brede school Organisaties kansengroepen Grootschalige jeugdevenementen Verenigingen met bijzondere opdracht Tewerkstelling
Kadervorming en attesten Vlaams jeugd- en kinderrechtenbeleid Kinderrechten Internationale samenwerking Uitleendienst Kampeermateriaal Begroting Onderzoek Beleidsdocumenten Fiscale aftrek kinderopvang Publicaties Parlementaire vragen en initiatieven

Kinderrechtenverdrag

De gewaarborgde rechten van het kind zijn opgenomen in het VN-verdrag inzake de rechten van het kind, kortweg het Kinderrechtenverdrag, en de bijhorende facultatieve protocollen. Kinderrechten hebben heeft betrekking op personen jonger dan 18 jaar, of minderjarigen.

Het verdrag is van toepassing op alle levensdomeinen van kinderen. Het omvat zowel de sociale, economische, culturele als de burgerlijke en politieke mensenrechten. Het benadert de rechten van het kind ook als één geheel. Dat betekent dat de gewaarborgde rechten onderling afhankelijk zijn en constant op elkaar inspelen. Het ene recht heeft geen bestaansreden zonder het andere.



Historiek

Het VN-verdrag inzake de rechten van het kind werd op 20 november 1989 aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Het Vlaams Parlement ratificeerde het verdrag op 15 mei 1991. Zo was de Vlaamse overheid de eerste overheid in België die het Kinderrechtenverdrag onderschreef. Na de goedkeuring door de andere overheden werd het in België van kracht op 15 januari 1992.

Het Kinderrechtenverdrag is niet uit het niets te voorschijn gekomen. Het is de bevestiging van een evolutie waarbij het kind meer en meer als een volwaardige maatschappelijke actor beschouwd wordt. Die evolutie komt vooral tot uiting in het feit dat het verdrag naast het recht op bijzondere zorg en bescherming, ook het recht op zelfbeschikking/participatie aan het kind toekent. Het kind is geëvolueerd van rechtsobject naar rechtssubject. Het verdrag erkent het recht van het kind om op te komen voor de eigen rechten. Deze evolutie vinden we terug in de verklaringen die het verdrag zijn voorafgegaan.

De Verklaring van Genève over de Rechten van het Kind van 1924 legt in de eerste plaats de nadruk op de plichten van de volwassenen, eerder dan op de rechten van het kind. In de verklaring wordt vooral gewezen op de sociale en economische behoeften van het kind. De bescherming tegen lichamelijke verwaarlozing, ondervoeding, economische uitbuiting enzovoort staat voorop. Door deze verklaring verkregen kinderrechten voor het eerst hun internationale publiekrechtelijke status. Voortaan zou de verklaring de basis vormen om te ijveren voor een internationale regelgeving op het vlak van kinderrechten.

In de Verklaring van de Rechten van het Kind van 1959 zien we al een belangrijke evolutie. De inhoud werd geconcretiseerd en uitgebreid, zoals verplicht en kostenloos basisonderwijs. Doorheen de jaren heeft deze verklaring bij de bevolking een ruime bekendheid gekregen en een grote morele kracht verworven. Ondanks het bestaan van een bindend verdrag wordt er immers ook nu nog naar verwezen. De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties keurde deze verklaring unaniem goed op 20 november 1959. Zelfs de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens was in 1948 niet unaniem aangenomen.

Op initiatief van Polen en vooral dankzij de werkzaamheden van internationale niet-gouvernementele organisaties kon in 1989 met het Kinderrechtenverdrag een belangrijke stap voorwaarts worden gezet. Voor de eerste keer werden de rechten van het kind op een juridisch bindende wijze vastgelegd. Het Kinderrechtenverdrag is ondertussen het meest universeel geratificeerde mensenrechtenverdrag. Alleen de Verenigde Staten en Somalië gingen nog niet over tot ratificatie.

Het Kinderrechtenverdrag is evenwel geen eindpunt. Zo werd artikel 43, tweede lid van het verdrag gewijzigd, waardoor het aantal leden van het toezichthoudende Comité voor de Rechten van het Kind werd uitgebreid van tien naar achttien. Verder kan ook verwezen worden naar de drie aanvullende facultatieve protocollen (zie verder). Ook het recente VN-verdrag inzake personen met een handicap versterkte de positie van kinderen met een handicap verder.

Inhoud

Het Kinderrechtenverdrag bevat een uitgebreide préambule en 54 afzonderlijke artikelen. Bij het verdrag horen ook drie facultatieve protocollen.


Préambule

De préambule, te vergelijken met een memorie van toelichting in onze nationale wetgeving, beschrijft de achterliggende beschouwingen en doelstellingen van het verdrag. De préambule bevat echter geen bindende principes. Het gaat om een interpretatief kader.


Artikelen

De verdragstekst bestaat uit drie grote delen:

  • deel I: art. 1-41: bevat de door het verdrag gewaarborgde rechten van het kind en de verplichtingen van de verdragsstaten
  • deel II: art. 42-45: regelt het toezicht op de naleving van het verdrag
  • deel III: art. 46-54: handelt over de inwerkingtreding van het verdrag

Het Verdrag omvat vier basisbeginselen:

  • het non-discriminatiebeginsel (art. 2)
  • het belang van het kind (art. 3)
  • het recht op leven, overleven en ontwikkeling van het kind (art. 6)
  • het recht van het kind om gehoord te worden (art. 12)

De gewaarborgde rechten en beginselen moeten in onderlinge samenhang gelezen worden. Voor een goed begrip wordt meestal een thematische indeling gemaakt op basis van de zogenaamde drie P’s. De indeling in drie P’s maakt het onderscheid tussen protectie-, provisie- en participatierechten:

  • Protectie: heeft betrekking op de rechten die kinderen beschermen: het recht om beschermd te worden tegen mishandeling en verwaarlozing, het recht om beschermd te worden tegen allerlei vormen van uitbuiting, tegen inbreuk op de integriteit, privacy,…
  • Provisie: slaat op de rechten die kinderen voorzieningen garanderen: recht op voeding en gezondheidszorg, recht op onderwijs, sociale zekerheid, vrije tijd, enzovoort.
  • Participatie: betreft de rechten die kinderen een deelname aan het maatschappelijk leven waarborgen, namelijk het recht om zelf bepaalde handelingen te stellen en het recht op inspraak.

Ook andere indelingen zijn mogelijk, zoals die op basis van de mensenrechtenverdragen, waarbij een onderscheid gemaakt wordt tussen burgerlijke, politieke, sociale, economische en culturele rechten. Wanneer men de kinderrechten gaat indelen op basis van de indeling van en als onderdeel van de mensenrechten, plaatst men kinderen in de bredere context van de samenleving, gaat men meer de nadruk leggen op de continuïteit van de minderjarige naar de meerderjarige persoon en zal men tot een afweging moeten komen van rechten van kinderen en rechten van anderen.

Reflecties van het Kenniscentrum Kinderrechten tonen aan dat de autonomie van de minderjarige, die al zo kenmerkend is voor het Kinderrechtenverdrag (in vergelijking met de voorgaande verklaring inzake de rechten van het kind), dan nog sterker uit de verf zal komen. Als we de kinderrechten niet vanuit een typische kinderrechtentypologie, zoals de 3 P’s, benaderen, maar wel vanuit een mensenrechtentypologie, zal de nadruk meer op de autonomie van de minderjarige komen te liggen omdat het beschermingsperspectief bij de algemene mensenrechtenverdragen minder sterk aanwezig is.

Kortom, de benadering van het Kinderrechtenverdrag als mensenrechteninstrument en de categorisering van kinderrechten als mensenrechten daagt het Vlaamse jeugd- en kinderrechtenbeleid nog steeds uit.

Drie facultatieve protocollen

Het Kinderrechtenverdrag werd ondertussen aangevuld door drie facultatieve protocollen. Het eerste handelt over de betrokkenheid van kinderen bij gewapende conflicten. Het tweede betreft kinderhandel, kinderprostitutie en kinderpornografie. Een derde protocol voegt een klachtenprocedure toe aan de toezichtsbepalingen van het kinderrechtenverdrag.


Facultatief protocol over de betrokkenheid van kinderen bij gewapende conflicten

Dit protocol verhoogt de minimumleeftijd voor de inschakeling van kinderen bij gewapende conflicten van vijftien jaar, zoals voorzien door het Kinderrechtenverdrag, naar achttien jaar, een verbod om kinderen te betrekken dus.

Dit protocol werd op 25 mei 2000 aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Het werd goedgekeurd door de federale overheid bij Wet van 29 april 2002 en werd door België op 6 mei 2002 geratificeerd. Het protocol trad in werking op 6 juni 2002. Als gevolg van de staatshervorming van 2003 zijn naast de federale overheid ook de gewesten bevoegd geworden voor de uitvoering ervan.

Facultatief Protocol bij het Verdrag inzake de Rechten van het kind over de betrokkenheid van kinderen in gewapende conflicten (.pdf):


Facultatief protocol over kinderhandel, kinderprostitutie en kinderpornografie

Dit protocol verstrengt de verbodsbepalingen uit het Kinderrechtenverdrag op het vlak van verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie.

Dit protocol werd op 25 mei 2000 aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Het protocol werd goedgekeurd door achtereenvolgens de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en de federale overheid. De Vlaamse goedkeuring gebeurde bij decreet van 7 februari 2003. België ratificeerde het protocol op 17 maart 2006. Zowel de federale overheid als de deelstaten zijn bevoegd voor de uitvoering. Het protocol trad op 17 april 2006 in werking

Facultatief Protocol bij het Verdrag inzake de Rechten van het Kind betreffende de inschakeling van kinderen in de kinderhandel, -prostitutie en -pornografie (.pdf)


Klachtenprotocol

Het Kinderrechtenverdrag was tot dan het enige VN-mensenrechtenverdrag dat nog geen klachtenprocedure had. Het klachtenprotocol voorziet in de invoering van een individuele klachtenprocedure, een tussenstatelijke klachtenprocedure en een onderzoeksprocedure.

Dit protocol werd op 19 december 2011 aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Het werd door Vlaanderen goedgekeurd bij decreet van 14 december 2012. Daarna volgenden het Waalse Gewest, de Franse Gemeenschap, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Franse Gemeenschapscommissie van Brussel, de federale overheid (Kamer van Volksvertegenwoordigers), de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel en ten slotte Duitstalige Gemeenschap.

België ratificeerde het klachtenprotocol op 30 mei 2014. Het treedt in België in werking op 30 augustus 2014.

Facultatief Protocol bij het Verdrag inzake de Rechten van het Kind inzake een mededelingsprocedure (.pdf)


Individuele klachtenprocedure

Het klachtenprotocol laat kinderen en jongeren, rechtstreeks of via hun vertegenwoordigers, toe om schendingen van hun rechten voor te leggen aan het VN-Kinderrechtencomité, op voorwaarde dat de interne rechtsmiddelen uitgeput zijn. Het Comité stelt bij de behandeling van deze klachten het belang van het kind voorop.

De klachtenprocedure werkt in verschillende stappen. Het Comité informeert het land in kwestie over de klacht, op voorwaarde dat de klacht ontvankelijk is. Het land krijgt tijd om te reageren en eventueel te verduidelijken welke acties het ondernomen heeft. Daarna probeert het Comité te bemiddelen. Lukt dat niet, dan maakt het Comité zijn aanbevelingen over aan het land, dat op haar beurt aan het Comité rapporteert over de manier waarop het de situatie van de klager(s) zal verbeteren.

Tussenstatelijke klachtenprocedure

Daarnaast voert het klachtenprotocol, volledig parallel met de andere mensenrechtenverdragen, ook een tussenstatelijke klachtenprocedure in. Het is weinig waarschijnlijk dat deze in de praktijk vaak zal worden gebruikt.

Onderzoeksprocedure

Naast deze klachtenprocedures bestaat er ook een onderzoeksprocedure. Als het Comité betrouwbare informatie ontvangt over het feit dat een verdragspartij zich schuldig maakt aan ernstige of systematische schendingen van de rechten, kan het die staat uitnodigen om samen te werken bij het onderzoeken van die informatie.